Voor leerlingen is het beschikken over ict-vaardigheden een must om hun educatieve (en sociale) redzaamheid te waarborgen, daar getuigen allerlei eindtermen en kwalificatienormen op het gebied van ict-vaardigheden wel van. Scholieren en studenten verlaten het middelbaar (en hoger) onderwijs doorgaans behoorlijk competent op het vlak van technologie. Dat is volgens mij echter slechts zeer ten dele de verdienste van hun docenten.
In een nog niet zo heel erg ver verleden was het voor een docent genoeg om over een ECDL te beschikken? Daarmee waren ze net handig / vaardig genoeg om een toets of studiewijzer te typen in plaats van met de hand te schrijven of een cijferlijstje in een spreadsheet vorm te geven. Powerpoint was voor velen al een brug te ver (Ik heb toch een bord!?), databases gebruiken ze zelden of nooit en mailen met leerlingen doen ze liever niet (Ze vragen het maar gewoon in de les!). Onderwijs is een van die takken van sport waar het nut van gebruik van computertechnologie lange tijd (en soms nog steeds) onderwerp van discussie is geweest. Inmiddels hebben scholen computers in huis, maar vrijwel altijd te weinig en vrijwel altijd een tikkie verouderd. Niet dat dat veel uitmaakt want, zo is de redenering, Al die hard- en software moeten niet meer zijn dan een middel. Een middel om het onderwijs een beetje moderner te maken, misschien een beetje flexibiliseren of de kopieerkosten fors terug te dringen. God verhoede dat computergebruik een doel an sich was. Dat is slechts voorbehouden voor een vak als informatiekunde.
Daarmee maken onderwijsgevenden het de moderne leerling maar makkelijk, niet leuk, wel makkelijk. Die leerling hoeft immers alleen maar zo nu en dan een Word-document uitgeprint in te leveren en klaar. Het leven van de Generatie Einstein is voor een groot deel digitaal, maar daar hebben ze op school bar weinig aan. Chatten mag niet, Youtube wordt geblokkeerd, presentaties in de les met Powerpoint kunnen alleen bij digitaal vaardige docenten, een werkstuk in de vorm van een website, blog of video wordt maar zelden aangemoedigd. Er is zoveel technologie die leerlingen volledig ‘eigen’ is, maar waarmee ze niets kunnen in het onderwijs. Leerling hebben heel veel technologie die ze als middel kunnen inzetten om hun leren meer in hun eigen leefwereld te trekken. Maar dat mogen ze vaak niet.
De bottleneck? De docent.
Die beschikt niet over de bagage om die middelen (filmpjes, podcasts, presentaties, etc.) van de leerling op de juiste waarde te schatten. Docenten zijn niet mediawijs genoeg, voelen zich snel geïntimideerd door de technologie en de handigheid van de leerling (Ik zie niet wat ze doen en hoe ze het doen), op een zelfde manier als een docent zich geïntimideerd voelt door leerlingen die het oplossen van een derdegraads vergelijking of het principe van celdeling wel handig en begrijpelijk aan klasgenoten kunnen uitleggen. Het gat tussen docent en leerling op het gebied van (het gebruik en kennis van) technologie wordt alleen maar groter. Zo groot dat veel docenten dat gat zien als een onoverbrugbare kloof. Hoe makkelijk is het dan niet om de technologie en het gebruik daarvan af te doen als oppervlakkig (chat-contact, communitysites als Hyves of Facebook), niet educatief genoeg (online video zoals Youtube en Google video). Docenten houden al die nieuwlichterij angstvallig buiten de school. En daarmee geeft de docent dus aan zich niet te kunnen redden in de wereld van het moderne onderwijs.
Aan de computer en aan de software hoeft het niet te liggen. Er is zoveel niet-bedreigende technologie tegenwoordig en met name dankzij de ontwikkelfilosofie van Apple zijn van oorsprong professionele toepassingen beschikbaar bruikbaar op consumenten- / docentenniveau.. Pakketten als iLife en iWork vergen geen dikke studieboeken of ingewikkelde knoppencursussen meer. De toegankelijkheid van audio- en videotechnologie is met Garageband en iMovie, maar ook met bijvoorbeeld Keynote, zo laagdrempelig geworden dat de hard- en software zelf geen obstakel meer vormen om de technologie te doorgronden en op termijn te gaan gebruiken. Hetzelfde geldt voor het maken van websites of blogs.
Wie zijn professionaliteit als docent serieus neemt, zou zich moeten verdiepen in zijn leerling en wat deze meebrengt. Je hoeft niet zelf films te kunnen maken om die van een ander op kwaliteit te kunnen beoordelen, net zoals je zelf geen topkok hoeft te zijn om te kunnen zeggen of iets smakelijk is of niet. Het helpt natuurlijk wel. En zou het niet mooi zijn als je als docent wel zelf filmpjes of een podcast of een mooie presentatie (wel met Keynote natuurlijk) weet te maken, of leerlingen kunt helpen met het gebruiken van Google Docs?
Geen excuus meer dus. Wat docenten zouden moeten doen om hun (educatieve én professionele) redzaamheid op het gebied van educatieve technologie te waarborgen, om zicht te krijgen op ‘de digitale kloof’ en waar die uit bestaat, is zich eerst maar eens goed oriënteren op wat er zoal aan technologische ontwikkelingen zijn. Eerst simpelweg een beeld krijgen van wat er is, wat er kan, hoe het in grote lijnen werkt. Kortom, eerst die technologie maar eens een doel op zich maken. Dat is de eerste stap om die technologie misschien wel weer tot een middel te maken zodat er attractief eigentijds onderwijs kan worden gemaakt. Een docent die weet wat er is, weet ook wat hij zou willen of kunnen gebruiken. Professionalisering van het docentschap moet een extra dimensie krijgen; naast een grondige kennis van het schoolvak en onderwijskundige competenties, zou een docent ook veel digitaler competent moeten zijn. Wie het computergebruik op ECDL-niveau weet te ontstijgen en meer gebruik kan maken van moderne creatieve technologie wint een wereld aan didactische mogelijkheden.
